Vervoeging presens

Vervoeging presens 1

Vervoeging presens 2

Personal pronomen subject
singularis
ik
je /jij
u
hij
ze/zij
die
het / ‘t  
pluralis
we/wij
jullie
jullie

Personal pronomen subject:    – je, jij / ze, zij / we, wij: benadrukt versus niet benadrukt

– ’t is een verkorte vorm van ‘het’

vervoeging Presens

Verba: regelmatig: infinitief:     infinitief min -en = stam: → ik

– werken → werken = ik werk / begrijpen à begrijpen = ik begrijp

– vullen → vullen =  vull → ik vul

– lopen →  lopen =  lop → ik loop

Vervoeging singularis:               

antwoordvraag
 Alleen ‘ik’ in vraag en antwoord en ‘je, jij’ in de vraag krijgen geen t 
singularis 
ikwerkwerk ik?
je, jijwerkt        werk je, jij?
u (formeel)werkt    werkt u?
hijwerkt         werkt hij?
ze, zij                             werkt         werkt ze, zij?
die (genderneutraal)werkt  werkt die?
het                                     werkt         werkt het?
Vervoeging pluralis = infinitief
pluralis  
we, wijwerkenwerken wij, we?
jullie                                 werkenwerken jullie?
zij, zewerkenwerken zij, ze?