Verba categorieën 2

Categorie 4 onregelmatige verba:

Personal pronomen subjectdoen zien
komen

gaan    staan
ik
je / jij
u  
hij
ze/zij
die  
het / ‘t
doe
doet / doe?
doet
doet
doet
doet
doet
zie
ziet / zie?
ziet
ziet
ziet
ziet
ziet  
kom
komt / kom?
komt
komt
komt
komt
komt
ga
gaat / ga?
gaat
gaat
gaat
gaat
gaat
sta
staat
/ sta?
staat
staat
staat
staat
staat
we/wij
jullie
ze/zij
doen
doen
doen
zien
zien
zien  
komen komen komengaan
gaan
gaan  
staan
staan
staan

Categorie 4 onregelmatige verba:

Personal pronoun subjecthebbenzijn
ik
je / jij
u  
hij
ze/zij
die  
het / ‘t  

heb
hebt / heb je?  
hebt + heeft
heeft
heeft
heeft
heeft
ben
bent / ben je?  
bent
is
is
is
is
we/wij
jullie
ze/zij
hebben
hebben
hebben
zijn
zijn
zijn